Nog minder dan drie weken en dan barst op 8 juni het Europees Kampioenschap voetbal los in Polen en Oekraïne. Heel Nederland staat dan als één achter Oranje en zal (hopelijk) tot en met 1 juli onze jongens aanmoedigen. Voor veel mannelijke studenten betekend het EK dat de tentamenperiode aan het einde van het jaar bijzaak is. Twee jaar geleden verliet het grootste deel van de mannelijke UB’ers elke dag om kwart voor vier het gebouw: het was tijd voor voetbal. Dit jaar zal het niet anders zijn, zeker omdat iedereen verwacht dat we 24 jaar na onze eerste en tevens laatste beker weer eens gaan winnen! In al deze Oranje gekte wil de consument naast een Oranje overwinning maar één ding: zo veel mogelijk geld uitgeven aan Oranje prullaria.
Vorige week liep ik alleen dwalend door Rome. Ik was de groep even kwijt en de enige mensen die ik om mij heen zag waren gladde, donkerharige Italianen die veel te hard praatten. Toen zag ik ineens een stelletje op mij aflopen. Twee blonde mensen met k(l)eurige H&M kleren die qua lengte ver boven de mensenmassa uitstaken. Nederlanders. Ik voelde me direct weer blij, want ondanks dat ik ze niet persoonlijk kende voelde ik een soort verbondenheid met ze. Zij konden me tenminste wel de weg wijzen. Ik weet nu ook al zeker dat ik kippenvel krijg als ik bij de EK-wedstrijden de Nederlandse driekleur zie wapperen en het volkslied hoor. Toch is het raar dat ik mij verbonden voel met dit land en met alle 16 miljoen Nederlanders terwijl ik 99,99999% van de bevolking niet ken en de meeste dorpen en steden nog nooit heb gezien. Hoe kan het dat ik me dan toch zo ‘Nederlands’ voel?